COLUMN | Chips

Een tijdje terug, op een frisse, ietwat benevelde dag, trad ik goedgeluimd een filiaal van een drogisterijketen binnen. Ik moest er zijn voor een tube zalf die tegenwoordig tot de producten der hedendaagse kwakzalverij worden gerekend, en ik had geen idee waar ik iets dergelijks moest zoeken. Dus vroeg ik het de dame achter de kassa; er stond verder toch niemand om af te rekenen. Ik liep met haar mee de winkel in, waar wij, bij het schap met bussen chips, een gezin aantroffen dat de trein der voorspoed jammerlijk had gemist. De vrouw sprak standaard te hard, de man en het kind waren afgericht en zeiden niets. Hun uiterlijk verried dat ze er niet waren voor de shampoo of de tandpasta, en de belangrijkste vraag die hardop werd gesteld, was hoeveel bussen Pringles de Aldi-tas kon bevatten. Mijn gedachten gingen met me op de loop. Ik zag de man bij de Aldi een prak hutspot halen omdat het meisje niet alléén maar chips moest eten. Mevrouw zag ik zitten voor een enorme televisie, gedachteloos etend van de chips en kijkend naar Temptation Island. De godganse dag. Tot de chips op was. Met de tel kreeg ik een grotere hekel aan dat mens; ik zwolg in mijn vooroordelen.

Toen de medewerkster en ik terug naar de kassa liepen, stond het gezinnetje er te wachten. En terwijl ik afrekende, knarste het mens: ‘Jezus, nou helpt ze die vent ook nog eerst.’ Ik wilde reageren, maar dat hoefde niet. ‘Ach hou je stil mens,’ zei de man. ‘Je hebt tijd zat; je zit verdomme de hele dag op de bank.’ Mijn prachtige dag was zojuist nóg mooier geworden.

Ruben Korfmaker.