Bolswarder zaken….(310)

Bolsward - We vervolgen onze wandeling door het oude Bolsward op de Appelmarkt. De stadsgidsen Jan Keuvelaar en Peter Mulder staan stil bij de verschillende panden en stellen u voor aan de eigenaren en bewoners door de eeuwen heen.

  Appelmarkt 10, Etos, De Beurs e.a. Wat is/was een lommerd? De lommerd (verbastering van lombard), officieel bank van lening ook pandhuis genoemd, was een kredietinstelling, waar leningen konden worden afgesloten tegen een onderpand van roerende goederen zoals juwelen, zilverwerk, kunst- en siervoorwerpen, boeken, e.a. dus voorwerpen van waarde. Wie gebruik maakte van de lommerd hoefde zich vanouds niet te legitimeren. Veel mensen hadden geen legitimatiebewijs. Als je een voorwerp verpandde, kreeg je een lommerdbriefje waarop het voorwerp en het kredietbedrag vermeld stonden. Met dat briefje kon het pand, na betaling van het bedrag plus rente, weer worden verkregen. Werd het pand niet binnen zekere tijd teruggehaald, dan werd het door de lommerd verkocht. De houder van het lommerdbriefje had recht op (een deel van) de eventuele meeropbrengst. Bracht het pand bij verkoop minder op, dan nam de lommerd dit verlies voor zijn rekening. Vaak kwam het voor dat dezelfde goederen steeds weer naar de lommerd werden gebracht. In de loop van de week kon een arbeider bijvoorbeeld zijn zondagse pak naar de lommerd brengen. Kreeg hij op zaterdag zijn loon, dan haalde hij zijn pak op, zodat hij het op zondag kon dragen. Als in de loop van de week het geld weer op was dan bracht hij zijn pak weer naar de lommerd. Of dit in Bolsward ook zo ging vertelt de historie niet. In de volksmond heette de lommerd “Ome Jan” en in Bolsward kon men dus letterlijk naar Ome Jan (Jan Alberda). Na zijn overlijden bleef zijn weduwe voorlopig op het adres wonen en ook de bank van lening runnen. Haar beroep werd vermeld als “bankhoudersche”. Waarschijnlijk is zij in 1829 met haar werkzaamheden als lommerdse gestopt. In het volkstellingregister van 1830 staat ze vermeld als “zonder beroep”. Door Adolf Ottes Nieuwenhuis is nog een aantal jaren voor eigen rekening de lommerd gedreven. Het pand waarin voorheen de lommerd gevestigd was werd verhuurd. In 1849 nam de gemeente de bank van lening over. Er werd verhuisd naar de Hoogstraat op de plaats waar later de openbare school zou verrijzen. Deze bank hield het uit tot 1917. Na het overlijden van de laatste directeur van de gemeentelijke Bank van Lening werden de lopende zaken afgehandeld door de commissarissen. De gemeente besloot, daar “van de bank slechts door een gering aantal personen gebruik gemaakt wordt”, de lommerd op te heffen. In 1916 waren er door slechts 64 personen voorwerpen beleend. De kast waarin de beleende voorwerpen werden bewaard is overgebracht naar de vierschaar van het stadhuis. Deze kast (zie afbeelding) is aan de binnenzijde gevoerd met ijzer, zodat er enige bescherming tegen brand was. In de Leeuwarder Courant van 22 mei 1830 staat vermeld dat aan de meestbiedende wordt verkocht: “1. Eene uitmuntende, zeer sterk gebouwde, en geheel ter nering staande HUIZINGE en ERVE, aan de Appelmarkt en Lombardsteeg te Bolsward, geteekend met lett. A, no. 111, en thans door de Weduwe Jan Alberda als mede-eigenaresse bewoond; voorzien van een bij uitstek ruim Voorhuis, 6 groote en kleine zoo Beneden als Bovenkamers, ruimen Kelder, 3 sterke Zolderingen, Keuken, Regenbak, Put, Bleekveld en soortgelijke gerijffelijkheden. 2. Eene HUIZINGE, met 2 Woonkamers, staande achter voorgaand perceel, in de Lombardsteeg aldaar, bij Adolf Nieuwenhuis en anderen in huringe. Beide percelen mochten worden gecombineerd. Men slaagde er niet in om de panden voor een passende prijs te slijten. Dat lukte pas in 1856 toen Anthony Lubberts van Diermen, getrouwd met een dochter van Jan Alberda het pand verkocht aan de landbouwer Willem Hayes van der Werf. De familie Alberda verhuurde het pand aan de timmerknecht Catrinus Jennekes Vos, zijn vrouw Akke Pieters Bruinsma was koopvrouw. Verder woonden er nog een weduwe en twee andere gezinnen op hetzelfde adres. In 1837 treffen wij de weduwe Trijntje Steffens Bartstra- de Jong als hoofdbewoonster aan. Haar beroep was uitdraagster. Je kon naar haar toe met je (oude) spullen die zij dan opkocht. Na haar heeft Pieter Knorr nog een winkel in het pand gehad. Deze Pieter had geen gelukkige hand van ondernemen. Via de Leeuwarder Courant zijn we op de hoogte van een tweetal faillissementen. Op 12 mei 1858 werd de schoen- en laarzenfabrikant Nicolaas Watzes Potma eigenaar. (Wordt vervolgd.)   Wilt u reageren op deze Bolswarder Zaken, hebt u informatie van personen die in het artikel worden beschreven of andere opmerkingen: reacties, aanvullingen en artikelen worden zeer op prijs gesteld en kunt u per brief, telefoon, mail of gesprek richten aan Peter Mulder, It Heech 7, 9035 AD Dronrijp, 0517-233214 of 06-34015075 (mulder.dronrijp@upcmail.nl).