COLUMN | Oma

Bolsward - Tina Turner is de oma van de popmuziek; ze is Amerikaanse, maar in River deep Mountain high zingt ze een Nederlands zinnetje: ‘Ik heb spillebenen.’ Luister maar eens goed. Kurt Cobain, ook Amerikaans, zanger van Nirvana, maar in 1994 al overleden.

In Feels like teenspirit brult hij diverse keren het Nederlandse zinnetje ‘Mag ik na jou?’ In het echt zingen ze iets anders, maar wij Nederlanders willen graag onze eigen taal herkennen. Mama Appelsap heet dat. Mijn oma was Hinke Schaper-Van der Meer. Bekend Bolswardse, een bescheiden mate van eigenwijsheid; op donderdag haalde ze een vissie bij Miedema en elke ochtend trok ze een paar baantjes in het Bolswarder Sportfondsenbad.

In 1975, ik was 14, keken oma en ik naar Toppop. Dat kon met mijn oma. Op het scherm verscheen Golden Earring met het ietwat ondergewaardeerde Ce Soir. We zagen Barry zuchten en George doen alsof hij echt speelde. In de studio hing een grote witte rare etalagepop en het mantra van het liedje was duidelijk: Ce Soir, Ce Soir, Assassination d’un rock ‘n’ roll star.

Ik vond het geweldig; Toppop was een andere wereld dan de onze; een soort hemel met muzikanten die wij zelf wilden zijn. Oma was niet enthousiast, maar bekeek het met interesse. Ik had geen idee wat ze werkelijk zag en hoorde. Close up van de pop. ‘Ce Soir, Ce Soir.’ Toen oma: ‘Iddat ding su swaar?’ Ik lachte hartelijk, maar had toen nog niet voldoende kennis van de Franse taal om het goede antwoord te geven. ‘Ja oma, hatstikke swaar.’

Ruben Korfmaker. De vorige column van Ruben Korfmaker is per abuis niet online verschenen. Bij dezen alsnog zijn meisje.

COLUMN | Meisje

Samen met een van mijn toegewijde lezers, tevens collega, stond ik dit jaar op de Leukste Kerstmarkt Ooit in Bolsward. Ik wilde mijn geboortestad in de mistige kou kennis laten maken met mijn roman, Cantor. Natuurlijk, ik had het al op verschillende andere manieren geprobeerd, maar Bolswarders zijn via de sociale media kennelijk niet warm te krijgen voor een goed boek van een gewezen stadsgenoot. Gelukkig was er nu wel belangstelling; dat wil zeggen: mensen reageerden aardig, lazen de synopsis en beloofden de website te raadplegen. Ook verkocht ik een exemplaar. Eén. Aan iemand uit de Randstad. Op de een of andere manier ontstond tegen het einde van de avond het gevaar, dat ik onbehoorlijke dingen over Bolsward ging denken, maar gelukkig kwam het zover niet. Toen we nog een half uurtje te gaan hadden, begon er licht te schijnen bij de ingang van het pleintje waar we stonden. Een meisje van elf, vergezeld van haar moeder en zusjes, begon me vragen te stellen over Cantor. Ze was geïnteresseerd in violen, en Cantor intrigeerde haar op haar jonge leeftijd al mateloos. Ze wilde het lezen, kon dat? Dat kon; ik verwees haar naar de bibliotheek, want haar spaarpot liet een koop niet toe, hoe graag ze dat ook wilde. Intussen lachte ze de mooiste lach die ik mij zal herinneren, en verheugde ze zich enorm op het lezen van mijn boek. Toen ze weg was, keken we elkaar aan. Mijn collega en ik. Bestond een dergelijke ongedwongen, compromisloze, onvoorwaardelijke blijheid nog? Ja. Die bestaat nog. Wij hebben het gezien. En de kou, mist en regen konden ons niets meer schelen. Niets. Ruben Korfmaker.