COLUMN | Code Oranje

Een terrasje behoorde tot de mogelijkheden. Niet alleen omdat het mooi weer was, maar ook omdat ze open waren. Ik koos een tafeltje even ten oosten van een stel dat ik inschaalde op een jaar of veertig, een Renault van de zaak, twee kinderen die alleen thuis konden blijven zonder er een noemenswaardige bende van te maken, en een kat.

Beiden waren ongemakkelijk gedost in een oranje cape die ik herkende van een luidruchtige supermarktreclame en die onder gevaarlijk zwarte rookwolken vanuit China naar Rotterdam waren vervoerd. Voor deze twee was code oranje, ondanks het vaccin nog lang niet voorbij.

‘Ik denk niet dat we het gaan redden,’ zei de vrouw. Ze sprak over voetbal in een wij-vorm waarmee ze iedereen binnen Neerlands landsgrenzen bedoelde. Mij ook; een grote fout. De man nam een klein slokje uit zijn glas en antwoordde niet. Ik keek om me heen. Op het terras waren geen voetbalgerelateerde parafernalia te bekennen. Het was een volstrekt normaal terras en alleen de reclame had mij kennis laten nemen van het kennelijk aanstaande voetbaltoernooi.

De schoonheid van het plein waar we zaten, leek de man volledig te ontgaan. Hij wiebelde ongemakkelijk op zijn stoel en keek alleen naar zijn bier. ‘Wat denk jij?’ vroeg de vrouw. ‘Waar gaan we uitkomen?’ Ze nipte uit haar nog volle bierglas terwijl de man dat van hem pakte en het bier zonder slikken naar binnen goot. Voor het eerst keek hij om zich heen en stond op. ‘Kom we gaan,’ sprak hij vastberaden. ‘Ik geloof dat we hier een beetje voor lul zitten.’

Ruben Korfmaker.