Kunstenaar Gert Jan Slotboom uit IJlst over de moeilijke kop van Paul Witteman

IJLST IJlster kunstenaar Gert Jan Slotboom deed afgelopen zomer mee met het MAX-programma ‘Sterren op het Doek’. Zaterdag 12 december om 20.35 uur is op NPO 2 te zien hoe hij samen met twee andere schilders Paul Witteman vereeuwigde. ,,Zijn blik heeft iets van mededogen.”

In het atelier van Gert Jan Slotboom is het behaaglijk en verraadt de verfgeur in de hal al het ambt van de meester. De ruimte achter de woonkamer staat geheel tot zijn beschikking. Dat moet ook wel, want de doeken die Slotboom schildert zijn groot. Hij werkt bijna alleen nog maar met olieverf en de schilderijen uit zijn serie ‘Ecce homo’ zijn rauw en persoonlijk. Heel wat anders dan een portret opzetten onder druk en met een camera op je gericht. Toch waagde Slotboom zich aan het televisieavontuur ‘Sterren op het Doek’.

,,In april kreeg ik een mailtje van producent Media Water, waarin ze mij benaderden voor het programma. Via social media waren ze bij mij uitgekomen. Ze zochten naar uiteenlopende manieren van werken. De structuren die ik normaal toepas, passen niet bij portretschilderen. Ik twijfelde best wel over deelname, ik sta niet zo graag in de belangstelling. Dat is een van mijn manco’s. Maar mijn vrouw Joan haalde me over, ‘je moet ook eens naar buiten’, zei ze. En ik moet eerlijk bekennen: ik heb er geen spijt van. Ik vond het heel leuk!”

Naast Slotboom deden ook schilders Jelbrich de Jong uit Heerenveen en Eeke Kuiken uit Groningen mee. De drie deelnemers werden naar het Concertgebouw in Amsterdam geloodst, waar ze moesten raden welke gast ze gingen portretteren. ,,Omdat de gast met muziek te maken had, dacht ik eerst aan Jaap van Zweden”, zegt Slotboom. ,,Maar ik had ook Paul Witteman in gedachten, hij is ambassadeur van het Concertgebouw en heeft zijn muziekprogramma ‘Podium Witteman’. Het bleek inderdaad Paul Witteman te zijn. We gingen aan de slag met een eerste opzet. Het was ondoenlijk om daar te werken, vond ik. Grote lichtpanelen, weinig schaduwen, en we mochten onze ezel niet verplaatsen. Daarbij had je dan weer een camera onder je oksel, dan weer een camera over je schouder. We mochten ook foto’s van Witteman maken, die hielpen me thuis bij het afmaken van het portret. En dat vond ik razend moeilijk. Hij springt er niet echt uit met zijn gezicht. Heeft geen echte karakteristieke dingen. Ik heb zelden zo’n moeilijke kop gehad.” Lacht: ,,Toen ik hem schilderde leek hij eerst op een vriend van me, en daarna op Fons de Poel. Nou ja, dat ging tenminste een beetje in de goede richting!”

Na een week kwam de filmploeg bij Slotboom thuis om te kijken hoever hij was gevorderd. Presentator Özcan Akyol interviewde hem. ,,Dat deed hij op een leuke manier. Hij was echt geïnteresseerd. Toen ze bij mij kwamen had ik eigenlijk het doek al klaar. Ik kon het namelijk moeilijk los laten, en wilde alle tijd benutten. Normaal neem je langer de tijd voor een doek. Maar nu moest ik het laten zien, of het nu goed of slecht was. Voor de volgende opnames gingen we naar het Teylers Museum in Haarlem. Daar zag ik wat mijn collega’s er van gemaakt hadden, en werden de doeken aan Witteman gepresenteerd. Ik mag natuurlijk nog niet verklappen wat er is gebeurd, maar ik ben heel nieuwsgierig naar zijn beoordeling. Mensen zien zichzelf namelijk heel anders. Dat is iets waar je tegenaan loopt. Al met al was het een leuke ervaring, en heb ik ook waardevolle contacten opgedaan met de twee andere schilders.”

Dat Slotboom in de kunst terecht zou komen, was totaal geen verrassing. In het gezin waar hij opgroeide werd kunst erg gestimuleerd. ,,We waren met zes kinderen thuis, waarvan ik de jongste ben. Het was een echt arbeidersgezin – mijn vader werkte bij de PTT – en er was in van alles en nog wat interesse. Ik tekende veel, en daarom kocht mijn vader voor mij een time-life kunstboek voor me. En toen we gingen studeren schafte hij de complete Winkler Prins voor ons aan. Het schilderen zit ook echt wel in de familie. Mijn oom was amateurschilder, en ook mijn zusje en mijn oudste broer schilderden. Mijn zusje begeeft zich nog steeds wel op dat pad. Ik ben er in doorgegaan en studeerde in 1983 af aan de Hoge School voor de Kunsten in Utrecht. Sindsdien maak ik schilderijen. Eerst werkte ik met acrylverf, maar tien jaar geleden ben ik overgestapt op olieverf. Ik maakte toen het project ‘My facebook’, waarin ik echte persoonlijke vrienden van mij schilderde. Ik wilde daarmee laten zien dat zij echte vrienden van me waren, heel anders dan ‘vrienden’ op Facebook. En ik wist dat ik dat in olieverf moest maken. Acryl droogt altijd lichter, of donkerder. Olieverf heeft dat niet.”

Het werken met olieverf beviel Slotboom zo goed, dat hij er mee doorging en startte met de serie ‘Ecce homo’, schilderijen die laten zien hoe mensen het leven ervaren. ,,Het zijn rauwe schilderijen”, legt Slotboom uit. ,,De mens heeft moeilijkheden, problemen die van binnenuit ontstaan. Ze durven zich niet bloot te geven, of kunnen slecht alleen zijn. Die innerlijke worsteling wil ik laten zien. En daar past geen flamboyant beeld bij. Bij deze schilderijen vermengen verfschraapsels zich met de verf, en als mensen ze van dichtbij bekijken dan zien ze de structuur van de verfhuid. De structuur voorkomt dat je te ‘mooi’ gaat schilderen. De modellen die ik uitkies, hebben een lijf dat al een leven heeft gehad. Ik bedoel, Doutzen Kroes is te perfect. Ik laat de modellen doen wat ik wil. Ik vind dat je als kunstenaar moet laten zien wie je bent. En wat ik laat zien is een groot deel van mij. Ik probeer mijn schilderijen algemeen te houden, zo zijn ze begrijpelijk voor iedereen. Ik had dit 20, 30 jaar geleden niet gekund. Je levenservaring neem je mee in je doeken. Ik kan oprecht blij worden als een doek lukt. Maar het lukt natuurlijk ook weleens niet, en dan is het huis drie weken in rouw. Dan is het slikken. Kunstenaars ‘denken’ met hun handen. En ze werken hard. Je voelt dat je iets moet maken. Daarbij krijgt de toeschouwer handvatten om het verhaal te maken of te voelen. Die neemt zijn of haar leven mee. Kunst werkt alleen als mensen hun eigen ideeën er aan op kunnen hangen.”

Amanda de Vries.