COLUMN | Oplossing

Resomeren. Een dood lichaam oplossen in vloeistof. Dat lijkt me wel wat. Met een zwembroekje aan in een aquarium en op de golfslag wuiven naar dertig intimi die in de zaal luisteren naar Fall Apart van Yaz en intussen mijn lijf langzaam uit elkaar zien vallen. Misschien steek ik mijn tong wel uit. Omdat ik er niets aan kan doen. Niemand neemt het me kwalijk als ik dood ben. Later.

Ik dacht aan de man, een tijdje geleden in de stad. Stapje voor stapje slofte hij, als de koning van een beginnend schaker, moeizaam voort. Hij zag eruit alsof hij niet kon wachten tot hij dood ging. Hij zag eruit als een probleem. Terwijl hij voorbij sjokte keek hij niet één keer op. Hij telde de stenen. Stenen die ineens van kleur veranderden: een zebrapad. Het gaf niet, hij liep door. De auto’s stopten wel voor hem, en anders maar niet. Vermoeid ging hij op een bankje zitten waar al iemand op zat. Hij zette de Aldi-tassen die zijn leven verhulden tussen hen in. De ander vertrok. Hij had het rijk alleen. Zoals altijd. Ik bedacht dat een crisis, een catastrofale inschattingsfout of een hebberige vriendin zijn lot had bepaald.

Ik stelde me zijn dood voor. Zijn lichaam in een aquarium terwijl hij wuifde naar iedereen die er niet voor hem was. Zijn lippen in een blauwe grimas, zijn tong ertussen. Amy Winehouse met You Know I’m No Good op de speakers. Tot de vloeistof zijn werk begon te doen. Tot zijn probleem, tot hij zelf was opgelost. Tot alles was opgelost.

Ruben Korfmaker.