COLUMN | Waddevuk

Het gebruik van krachttermen is in mijn familie via de mannelijke lijn in dna gebeiteld. Daar waar mijn vader en ik de blasfemische variant voorstaan (of voorstonden, mijn vader is dood), gebruikt zoon bij voorkeur het Engelstalige erotische jargon. Beginnend met W en eindigend op addevuk of beginnend met F en eindigend op ukkinnèll. Juist omdat ik me er ook schuldig aan maak, is het een pedagogische uitdaging om zoon in gegeven situaties netjes te laten formuleren. Meestal volsta ik daarom met de bespiegeling dat met het schrappen van sommige bijvoeglijke naamwoorden de boodschap ook wel overkomt. Maar zijn tegenaanval is meedogenloos: ‘Alsof jij zo netjes praat...’ En hij heeft gelijk.

Op een zondagochtend een paar weken geleden, lag hij om half twaalf nog in bed. Echtgenote en ik zaten buiten onder zijn raam en we begonnen ons net zorgen te maken over de levensvraag, toen ik me zijn goegel-luidspreker herinnerde. Op de één of andere manier was het ding op zijn slaapkamer aan te sturen via mijn telefoon. Geen idee hoe dat kon, maar ik wist wel hoe het moest. En dus selecteerde ik op mijn telefoon achtereenvolgens een passend liedje en het betreffende goegel-apparaat, en drukte op play. Toen ging alles heel snel. Door het open raam hoorden we Siep van der Ploeg vragen om een Teken van Leven, onmiddellijk gevolgd door een hartstochtelijk Waddevuk en een diepe stilte. De stem van Siep maakte plaats voor die van mevrouw goegel: ‘jammer dat je je zo voelt.’ Wauw, dacht ik. Wat fijn dat mevrouw goegel zo op hem past. En wat zégt ze dat pedagogisch. Nu nog hopen dat zoon wat beter naar haar luistert dan naar mij.

Ruben Korfmaker.