Bolsward 1940-1945: de bezetting

Tot aan Bevrijdingsdag verschijnt wekelijks een verhaal van de hand van Willem Haanstra over Bolsward in de oorlogstijd. Vandaag deel 2: De bezetting.

Die nacht, van vrijdag 10 op zaterdag 11 mei 1940, leek aanvankelijk op vele voorgaande nachten. De stad stil en verlaten, de lucht vol van vliegtuiggeronk, het politiebureau rechts onderin het stadhuis bemand. Sommigen hadden, uit ongerustheid, die nacht hun radiotoestel afgestemd op een nieuwszender.

Lees hier deel 1: de inleiding

Zo ook de beide aanwezige gemeentelijke agenten, Arjen van der Hauw en Sije de Jong. Het geronk van vliegtuigen ging over in een hevig geraas. Van der Hauw en De Jong keken elkaar aan: wat betekende dit allemaal? De vrijdag vooraf was al anders dan anders: honderden Nederlandse soldaten trokken de stad door, op weg naar de Afsluitdijk. Waarom, dat was nog niet duidelijk. Van de in het leven geroepen luchtbeschermingsdienst kwam vooreerst niemand opdagen.

Wel kwam de dan al zieke oud-burgemeester Sjerp Praamsma binnen, maar die werd met lichte dwang naar huis gestuurd. De pas aangetreden nieuwe burgemeester Sipke de Jong was er niet. De agenten wisten dat De Jong die dagen veel last had van zijn maagkwaal. De wethouders Van der Zee en De Haan, en enkele ambtenaren, verschenen even later wel, gevolgd door schoolmeester Bachofner en apotheker Hendriks. Ze hoorden rond drie uur het nieuws via de radio: Duitse troepen waren Nederland binnengevallen, het was oorlog..

Die zaterdag ontwaakt Bolsward in verwarring. En wat nu? Gewoon naar je werk gaan, de boodschappen doen, kinderen naar school, thuis blijven? Even is het heel stil op straat. Dan: fietsers, paard en wagen, een vroege bakker met de broodkar. Voetgangers, die elkaar vragen stellen, vol onbegrip en warrige verhalen. Een steeds dreigender gevoel van onheil hangt in de lucht.

Dan, opeens, soldaten, Nederlandse jongens, te voet, op gammele wagens, op fietsen. Ze komen van de kant van Sneek, over de oude Macadamweg, de stad binnen, langs het park, over de Snekerpoortsbrug, gaan de Turfkade op, de Blauwpoortsbrug over, op weg naar de Afsluitdijk, om Noord-Holland te bereiken; op de vlucht voor de naderende en zwaar bewapende Duitse troepen.

Veel soldaten zoeken, en krijgen, een voorlopig onderdak bij Bolswarder burgers. En weer wordt het stil, geen mens meer op straat. Het is tegen drie uur in de middag. Opeens verschijnt een laatste bataljon fietsenrijders, die nacht gekomen van de grens in Groningen. Daarbij ook Bolswarders, jonge jongens: Eerde Bijlsma, Teade Boersma, Jelle Feenstra en Kees Adema. De iets jongere broer van Eerde, zoon van Saakje de Vries en Frits Bijlsma (Dove Frits in de volksmond) aan de Gleibakkerij, Anton (Toon) wordt door moeder Saakje erop uit gestuurd om te zien of zoon Eerde ook ergens te bekennen is.

Na dat onheilspellende uur, van twee tot drie, komt de dan nog jonge Bram Oosterbaan van Het Natte Park hals over kop op Toon toe en schreeuwt dat hij Eerde gezien heeft, vlakbij de ingang van het park. En, ja, Toon ziet Eerde, samen met Teade Boersma, het geweer in de aanslag, achter een heg in het park staan. Veel tijd om woorden te wisselen, is er niet: de Duitsers zijn heel dichtbij. Nadat Eerde geroepen heeft dat hij zich wel redt, en dat hij naar Noord-Holland moet, fietst hij verder. En terwijl Toon naar huis gaat, komt een verkenningseenheid van drie kleinere tanks de stad ingereden, een eerste verkenningseenheid. De soldaten spreken Toon nog even aan en stoppen vervolgens bij het stadhuis. Daar zitten de agenten Van der Hauw en Schriever. Vandaar rijden ze nog een eind de oude weg naar Schettens, aan de westkant van de stad, op, om ter hoogte van boerderij de Grote Klaver de weg versperd te zien door een ingegraven vrachtwagen van Sijperda, van de Koemarkt. Ze maken rechtsomkeer.

Eerde Bijlsma (Bolsward, 24 mei 1920 – Tegelen, 5 augustus 2017) die later door verraad van buurjongen Jappie Rijpma gevangen wordt genomen en op transport gesteld, zal na de oorlog, september 1945, naar Limburg vertrekken, samen met broer Toon, Peke Draaisma, Jaap van Dijk en ene 'Bully'. Eerde en Toon (Bolsward, 18 maart 1923 en thans nog woonachtig in Tegelen) zullen hun verdere leven daar blijven wonen, samenwerkend als huisschilders.

Terwijl nog vele soldaten verblijven in woningen van Bolswarders komt de dreiging van het Duitse leger steeds dichterbij. Wat te doen? Indien er niets zou gebeuren, zitten ze als ratten in de val. Een gevecht, midden in de dichtbevolkte Bolswarder binnenstad, is dan onvermijdelijk, met een ramp als gevolg. Het zal de burgemeester van Wymbritseradeel, Van Haersma Buma, geweest zijn die de bevelhebber van de troepen overtuigend adviseert om zo snel mogelijk de stad te verlaten en de kant van Wons, en verder, op te gaan. En dat gebeurt, gelukkig. De laatsten, de fietseenheid van Eerde en Teade, verlaten even later ook de stad Bolsward. Eerde is de laatste soldaat die de stad, zijn geboortestad, verlaat. Om vlakbij Wons nog beschoten te worden ook, door eigen soldaten...

Dan wordt het vreemd stil in de stad. De meeste mensen zitten binnen, in opperste verwarring over wat komen gaat. Ook in de kleine woning van Durk en Jeltje van Dijk, achter de Martinikerk, heerst verwarring en stilte. Opeens wordt er op het raam geklopt, ze schrikken op. Buiten staat Jan de Haan, woonachtig op het Franekereind, het Loo. Durk naar buiten en een zenuwachtige De Haan vertelt dat hij vanuit de stad op weg naar huis bij de gasfabriek een eigenaardig grote, groene vrachtauto zag staan. Hij was omgekeerd en staat nu voor de deur van het huisje van Durk en Jeltje.

Durk besluit dan mee te lopen met De Haan. Buiten sluit zich daar nog Doede de Waij, de koster van de Grote Kerk, bij aan; hij had de beide druk gebarende mannen vanuit zijn woonkamer gezien. Samen lopen ze, wel heel voorzichtig, om de kerk heen, de Bagijnestraat op, tot aan het Plantsoen.

Wat ze daar waarnemen, is het begin van de bezetting van het oude handelsstadje Bolsward: tussen de 20 en 30 Duitse soldaten klimmen uit de legertruck, heel gedisciplineerd, en trekken in slagorde over de Sint Jansstraat en de Grote Dijlakker op naar de binnenstad. De drie mannen gaan vervolgens naar huis.

Via de Rijkstraat, de Appelmarkt en het Grootzand wordt de Stoombootkade bereikt. Het doel is duidelijk: ze willen met gevorderde boten het gebied aan het IJsselmeer bereiken, belangrijk vanuit strategisch oogpunt. En, inderdaad, aan de kaden liggen boten van Koch en Eekhof en Horjus. De mensen aan boord, sommigen al gevlucht, worden met huisraad en al op straat gezet. Vervolgens kloppen ze, aan de overkant, bij Saakje Bijlsma aan om mannen te dwingen de boot te besturen. Ze verwijst naar de buren: bij de familie Rijpma zijn wel vier mannen aanwezig. De volgende oorlogsjaren nemen deze Rijpma's gedurig wraak op de Bijlsma's.

Duitse troepen stromen even later Bolsward binnen, als tussenstation op weg naar de strategisch uiterst belangrijke Afsluitdijk. De soldaten worden ingekwartierd in scholen en andere gebouwen. Tanks en andere voertuigen staan, liefst verscholen onder bomen, op het Laag en Hoog Bolwerk, de Koemarkt, op schoolpleinen en hier en daar elders. Hotel De Wijnberg wordt ingericht als hoofdkwartier, vol zendapparatuur. De strijd om de Afsluitdijk kan beginnen. En, in Bolsward, wordt al gauw een bekende groenteboer waargenomen die zijn waren probeert te slijten aan de Duitse troepen. Ook die handel gaat al meteen door...

Willem Haanstra.