COLUMN | Tapas

Mijn aversie tegen tapas eten is historisch bepaald, maar omdat keuzes soms buiten mijn invloedssfeer worden genomen, zat ik een paar weken geleden met familie enigszins gelaten in een tapasrestaurant aan de haven in Lelystad. Tapas is Spaans voor wachten. Want dat is ongeveer het enige wat je doet. Nou ja, je praat ook wel, maar als je drie uur hebt zitten wachten op een drumstickje, dan ben je wel eens uitgeluld. Ons gezelschap ging onbeperkt tapas eten voor een vast bedrag. Doe dat niet! In tapasrestaurants zijn ze daar gek op en dat merk je aan de frequentie waarin de gerechtjes worden gebracht. Die wordt namelijk substantieel naar beneden bijgesteld. Schoteltjes ter grootte van een contactlens met een soepballetje in rode saus. Een plankje met vier stukjes worst die je moet delen. Als je doorkrijgt dat het goed smaakt, is het op en komt het nooit meer terug. De stoelen zijn onderdeel van de strategie. Al na vijf minuten vraag je je af of je het wel een half uur netjes op een dergelijke plank kunt uithouden, en na een kwartier lijkt het op een soort spijkerbed. En dan heb je nog niets gehad. Ja, een gemarineerde olijf.

Je smeekt om een wapenstilstand, wilt desnoods bijbetalen om weg te kunnen. Maar de aanvallen gaan door: na drie kwartier een krielaardappeltje met aioli, en weer een uurtje later een stukje chorizo met peper. Mijn god, waar is de chinees? Een koninkrijk voor een bak babi pangang en een roodfluwelen stoel. Maar gelukkig was er nog een dessert. Drie coupes ijs, te verdelen over dertien schoteltjes. Ik heb mijn portie beschikbaar gesteld. Tapas, Spaans voor wachten. En voor honger.

Ruben Korfmaker.