COLUMN | 1958

Het jaar waarin Vertigo van Alfred Hitchcock en Johnny B Goode van Chuck Berry verschenen. Het vierde kabinet van Drees viel in dat jaar, en de EEG begon. 1958, zestig jaar geleden. Ik was er nog niet; Fidel Castro was nog geen leider van Cuba en er was, oh zegen, nog geen sport op televisie. Marty McFly was alweer zo’n drie jaar terug naar de toekomst in een van de mooiste hedendaagse films die ik heb gezien en het gasveld in Groningen was nog niet ontdekt. De Tweede Oorlog was amper afgelopen en de opbouw was nog volop in gang. Wat een andere wereld moet dat zijn geweest: als je iets van iemand wilde weten, dan moest je bellen of op de fiets ernaartoe. Weet u nog? Bellen? Hahaha. Zestig jaar. Zestig. Vijf keer twaalf. Zestig kilo is 240 pakjes boter. Zestig kilometer is anderhalve marathon. Zestig is best veel eigenlijk.

Deze maand zijn mijn ouders zestig jaar getrouwd. In voor- en tegenspoed en in het stadhuis in Bolsward. Niet in de kerk. Ja, mijn moeder wilde wel, en het mocht ook wel van mijn vader maar, zo zei hij destijds: ‘Ik wacht buiten wel op je.’ Ze hebben de oorlogswinter meegemaakt, honger geleden en in de jaren die volgden samen een leven opgebouwd in Friesland. Mijn vader als ober, mijn moeder in de rol van thuisblijvende en liefhebbende echtgenote. En als gedreven zangeres bij diverse gezelschappen; de Matthäus Passion heeft ze misschien wel honderd keer gezongen. En nu is het feest. Nog eenmaal uit eten met genodigden; ondanks de kerk noemen ze het zelf het laatste avondmaal. Brood en wijn. En hopelijk een stukje vlees.

Erbarme dich Mein Gott, Um meiner Zähren willen.