COLUMN | Bank

Stel dat je naar een bank kunt gaan. Niet online, maar door een deur een gebouw in. Mannen en vrouwen die je lachend tegemoet treden, vragen wat je wilt en doen wat je ze vraagt. Die een praatje maken terwijl ze je geld tellen en prettige dag zeggen als je tevreden naar buiten loopt. Je moet er toch niet aan denken? Nee, dan online bankieren. Pasjes, appjes, codes, accounts; lekker inloggen op MyING met codes die steeds veranderen en die je steeds vergeet. Fijn alles zelf doen. Geen sociaal gehouwehoer, maar gewoon anoniem flappen uit een muur trekken. En geen korting krijgen omdat je alles zelf doet, maar betalen! Al die elektronische infrastructuur kost natuurlijk goudgeld. En als ik er niet uitkom dan kijk ik op de site. Bellen doe ik liever niet, want bellen kost mankracht en we weten inmiddels hoe duur dat is. Moet mijn bijdrage weer omhoog. Gedoe. Nee, ik sta te juichen met mijn heerlijke ING-appje in de hand.

Een van de visionairs die deze ontmanteling van de bank als nutsbedrijf op hun geweten hebben, was deze week in het nieuws. De man die de scepter zwaait over de bank die u en ik een paar jaar geleden met ons zuurverdiende belastinggeld de hand boven het hoofd hebben gehouden omdat betreffende bank zichzelf dramatisch in de nesten had gewerkt. Deze week kreeg de baas er een miljoentje per jaar bij. 50% loonsverhoging. Want anders zou hij weglopen. Naar het buitenland. Het koude zweet brak me uit toen ik het las. Naar het buitenland. Jezus, je moet er toch niet aan denken?