COLUMN | Gieter Gosse

De echte naam van mijn buurman in Bolsward kende ik niet, maar omdat hij van tuinieren hield noemde ik hem voor het gemak, en slechts voor intern gebruik: Gieter Gosse. De man was altijd in de tuin aan het werk, en omdat mijn jonge leven in die tijd onverenigbaar was met het feit dat ik een tuin had, was Gieter Gosse ook dikwijls in die van mij te vinden.

Voor een pakje Javaanse Jongens deed hij alles. Nu was mijn tuintje omgeven door een te weelderig tierende heg. Ik vond dat dat ding eruit moest, en ik vond ook dat ik dat niet aan mijn oude beste buur mocht overlaten. Dus regelde ik wat mankracht waarmee ik in een weekend de hele heg weghaalde. De vrijgekomen bomen bonden we bijelkaar, zetten ze tegen de schuur in afwachting van het transport naar de gemeentestort en we dronken een biertje.

We waren kapot van het lichamelijke werk dat we normaliter aan de vaklieden overlieten, maar er zat niets anders op: maandag moest ik weer naar het werk. Met een gruwelijke spierpijn, overal. Maar ik hield het uit, reed ‘s avonds terug naar huis en merkte bij het inrijden van de straat meteen dat er iets niet klopte. De hele kloteheg stond er weer in. Ernaast trof ik een trotse en zichtbaar fitte en onaangetaste Gieter Gosse aan. ‘Nou buurman,’ zei hij, ‘ik weet dasto ut hastikke druk hest, dus hew ik um er fast mar even voor die insetten.’ Hij lachte zijn bruine tanden bloot. ‘Een pakje Javaanse Jongens graach.’

Ruben Korfmaker.


Auteur

Redactie